In de beginjaren zag het festival er heel anders uit dan nu. Klaas en zijn familie stonden met hun woonwagen op het oude terrein van Reigersdaal. Ze verbleven er dagenlang en leefden als het ware tussen de bewoners. Klaas: “Je woonde daar gewoon een week op het terrein. De bewoners liepen de hele dag om je heen. Zodra we kwamen aanrijden, begon de voorpret al.”
Bewoners zagen de attracties opgebouwd worden, maakten een praatje met de exploitanten en leefden dagenlang naar het feest toe. “Het was allemaal heel gemoedelijk. Niemand hoefde naar huis, want ze waren al thuis.” Het festival duurde toen drie dagen, van donderdag tot en met zaterdag. Familieleden kwamen langs, vrijwilligers hielpen mee en mensen uit de buurt kwamen vaak wel even kijken. “Het was altijd een gezellige boel.”

Gezichten die je nooit vergeet
Na zoveel jaren heeft Klaas talloze bezoekers leren kennen. Sommige namen kent hij nog altijd uit zijn hoofd. Zo was er Frans, die steevast bij de bel van de draaimolen stond. En Gerard, die nog steeds naar het festival komt. En Piet, die urenlang in de buurt bleef hangen voordat hij uiteindelijk toch in de molen stapte. “Als hij eenmaal zover was dat hij mee ging, dan was hij niet meer weg te slaan.” Juist doordat hij meerdere dagen op het terrein stond, zag hij meer dan alleen de bezoekers tijdens het feest. De voorpret, het wennen, het rondhangen bij het opbouwen en de momenten dat iemand niet wilde dat het alweer voorbij was. “Sommigen begonnen bij het opbouwen al over het afbreken: ‘straks gaat alles weer weg’. Dan zei ik: We moeten eerst nog feest vieren.”
“Zodra we kwamen aanrijden, begon het al.”
Minder hard, meer plezier

“Je draait voor hen. Dus zij moeten het leuk vinden.”
Dat merkt Klaas ook in het contact. Sommige bezoekers stappen meteen in, anderen hebben meer tijd nodig. “Die moeten even wennen. En dan kom je het jaar erop weer, en het jaar erop weer. Dan weten ze wel wie je bent.”













